KASTEEL HOOLEYCK

Het kasteel met domein, dat de naam Hooleyck draagt en bewoond is door de familie Cartuyvels, vormt met zijn dienstgebouwen een gevarieerd en beeldbepalend ensemble, dat een oppervlakte bedraagt van 6 ha 61a 4ca.

Benaming

De benaming ‘Hooleyck’duikt archivalisch op in 1828 en is een vervormde benaming van ‘Oleit’. De eerste vermelding echter dateert uit circa 1306 als ‘inden Oleyt’ en betekent een weiland langs een waterloop. Oleyt is afkomstig van een Latijns leenwoord ‘oletum’, dat afgeleid is van het werkwoord ‘olere’, wat goed of slecht rieken betekent. Het waren de huidige Landense Beemden die eertijds ‘Oleyt’ werden geheten . Dit natuurgebied bevindt zich in de onmiddellijke buurt van het kasteeldomein. Het Landense OCMW, gelegen aan de Oscar Huysecomlaan 2 te Landen heeft echter destijds voor haar rusthuis de benaming ‘Oleyck’ gekozen.

Kasteeldomein

Vanaf het poorthek slingert een pad naar het kasteel, dat de vallei domineert. In deze Landense Beemden, die deze vallei integreren, zoeken Molenbeek en Zijpe elkaar op om samen uit te monden bij de watermolen van Attenhoven. Door deze situering biedt het kasteel een weids uitzicht op de Landense Beemden. Oorspronkelijk was de toegang geprofileerd door een hekpartij met hardstenen pilasters, waarvan enkele blokken op het domein nog aanwijsbaar liggen. Het gazon met het Engels park vertoont een golvende belijning als gevolg van de eertijds talrijke gegraven kuilen, waaruit de aarde werd gebruikt voor de aanmaak van ruim 1 miljoen bakstenen, waarmee het kasteel werd opgebouwd. Groepen bomen en een beukenhaag willen geruisloos de begrenzing van het kasteeldomein verbergen. Anderzijds versterken solitaire bomen en kleine boomgroepen de dieptewerking. Het bomenbestand met ondermeer rode beuk, eik, gegriffelde esdoorn, linde, treurbeuk, iep, plataan, magnolia, catalpa en hulst zijn samen met de conifeer nadrukkelijk aanwezig. Blikvangers blijven de Ginkgo biloba of Japanse notenboom en de door een onweer afgeknotte Sequoia Wellingtonia: zoals gebruikelijk bij de rijke burgerij, werden vaak zeldzame variëteiten aangeplant. Kamperfoelie en glycines bekruipen de gevels van het kasteel. Al deze natuurelementen verlenen als aanplanting een riant decorum voor het kasteel. Op de westelijke rand van het kasteeldomein verwijst een ijskelder naar het aloude gebruik om ijsblokken gedurende een langere periode te kunnen bewaren. Binnen de ommuurde moestuin met centraal een waterput wordt een polygonaal paviljoen uit baksteen met leien bedaking geflankeerd door ruime druivenserres. Ook zij verlenen een idyllische sfeer van weleer.

Architecturale vormgeving

Naar de architecturale vormgeving toe is het kasteel ‘Hooleyck’ gebouwd in 1885 - 1887 door Fernand Isidore Kempeneers naar de plannen van een architect uit Borgworm (Waremme) in een tijdstyperende fin-de-siècle stijl. Het eclecticisme is er bovendien nadrukkelijk aanwezig. Het complexe, twee bouwlagen tellend volume wordt geprofileerd door een drie bouwlagen tellende hoektoren waarop een trapeziumvormige leien bedaking omzoomd met traliewerk alsook door een traptoren, bekroond door een piramidaal leien dak, uitlopend op een spits met windvaan. Deze vertoont de initialen K en S, die staan voor Kempeneers en Stevens. Het leien mansardedak, eveneens met traliewerk geprofileerd, biedt tal van timpaanvormig bekroonde vensteropeningen. De trapgevels met zadeldaken alsook de met steekboog omlijste vensters en deuren verlenen het monument een pittoresk karakter. De gevels worden speels bepaald door een dubbel register van lichtgetoogde muuropeningen. Tegen de achtergrond van rode baksteen zorgen witstenen muurlijsten, speklagen, ornamentele friezen van geglazuurde tegels en hoekblokken voor een chromatisch en horizontaliserend effect, eigen aan de neo-Vlaamse renaissance. De plint in breuksteen-metselverband verraadt dicht bij de inkom de reeds vernoemde initialen Stevens en Kempeneers. De architect bracht eertijds een ingenieus systeem van hete luchtverwarming aan door de buitenluchtaanvoer langs gelijkgrondse roosters via de verwarmingsinstallatie in de kelder op te warmen. Ook de ‘Jardin d' hiver’ met een halfcirkelvormige door een lantaarn bekroonde uitbouw in glas, die een grotpartij herbergt, affirmeert het fin-de-siècle karakter van het 19de eeuws kasteel, dat zonder ingrijpende verbouwingen gaaf de 21ste eeuw is binnengetreden. Het annex bijgebouw met ruim gebruik van decoratief houtwerk vertoont een pittoreske tweeledige leien hoektoren waarop windvaan met initialen K en S. Eertijds waren hierin het koetshuis, paardenstallen en de woonruimte voor het personeel ondergebracht. Het werd voortreffelijk in 1998 heringericht .

Interieur

Trappartijen en een bordes met rechte steektrap voorzien van een smeedijzeren balustrade verlenen toegang tot het reeds gedeeltelijk gerenoveerd interieur. Dit interieur wil beantwoorden aan een citaat van Victor Horta, dat luidt: 'Het huis moet niet alleen beantwoorden aan het leven van de bewoners, maar moet hiervan een portret zijn'. In de traphal waar op de mozaïekvloer een driekleurig stermotief de aandacht opeist, leidt een houten trap voorbij een kleurrijk glas-in-lood raam, dat stralend Vrouwe Justitia voorstelt. Als personificatie en Romeinse godin van de gerechtigheid wordt ze hier traditioneel geblinddoekt voorgesteld met weegschaal en zwaard als specifieke attributen. Bovendien behoort de gerechtigheid tot één van de vier kardinale deugden. De keuze van het thema voor het glasraam, het bovenvermelde citaat van V. Horta indachtig, lag voorhanden: Fernand Isidore Kempeneers was immers vrederechter van het kanton Landen. Op het eind van de gang ontwaren we als een bescheiden blikvanger, uitgebeeld op een glas-in-lood raam en binnen een ruitvormige omlijsting, het wapenschild van de familie Cartuyvels. Dit wapen, bekroond door een helmteken met verderbos van struisvogelpluimen, vertoont een 'in blauw een zwemmende zilveren zwaan, vergezeld in het schildhoofd van twee en soms drie gouden sterren'. Het randschrift in het Latijn vermeldt het devies van de familie: 'Per ignem et aquam' of 'Door vuur en water'. De familie Cartuyvels stamt vermoedelijk uit Buvingen. De stamvader Gregorius Cartuyffels huwde ca. 1540 met Catherine Stasseyns (+1603) en resideerde omstreeks 1570 als voorname burger in Sint-Truiden . Enkele leden van dit geslacht werden in 1903 in de adelstand verheven, o.a. Baron Paul Cartuyvels de Collaert en zijn broers Charles en Adolphe. Het familiewapen is ook nog te zien op een schilderij op het stadhuis te Sint-Truiden . De renovatie van het interieur is begonnen na augustus 2003, toen de familie Alphonse-Philippe Cartuyvels er zijn intrek nam.

In het verlengde van twee salonruimten met hun verscheidenheid aan antiek meubilair is er de eetkamer, als een art nouveau juweeltje ‘ingekaderd’. Ze werd gestoffeerd met een meubelensemble uit 1907 van de hand van de Luikse architect Gustave Serrurier-Bovy. In deze originele bouwhistorische context komt dit ensemble maximaal tot haar recht. De strakke en toch frêle lijnen van deze meubelen uit eikenhout, die precies honderd jaar geleden werden ontworpen, contrasteren scherp met deze van de aanpalende salonruimten. Geheel deze vleugel werd met een klassiek parket bevloerd. De hierbij aansluitende ‘Jardin d'hiver’ met zijn rotsformatie zorgt voor een bucolisch accent. Doorheen de ramen, waarrond zich aan de buitenzijde een glycine, een kamperfoelie en een hoogstammige roos hebben vastgehecht, wenkt het bladgroen van het Engels park. De overgang van de salon- naar de eetkamerruimte is geprofileerd door een houten frieslijst met loofwerk, ondersteund door dubbele korbelen. Hun typische gebogen lijnvorming vinden we quasi in elk meubilair terug. De lijst zelf is zevenvoudig ‘vak’-kundig ingedeeld. Elk onderdeel als een vegetatief ornament bedoeld, bevat drie in metaal op een tak gestyleerde bladeren, door een bladvormig silhouet omrand.

De houten eettafel en de in oude roze velours beklede stoelen trekken met hun sereen lijnenspel de aandacht. De poten van deze tafel, alsook de voorste poten van elke stoel zijn met drie metalen banden gemarkeerd. Het schouwmeubel, waarin een schilderij met een landschap werd ingelijst alsook een stel spiegels, vertoont ook de karakteristieke gebogen lijnvorming. Laterale kastjes en sokkeltjes laten o.m. siervazen in art nouveau bewonderen. Tegen elk van de twee hoekmeubelen, die het vensterraam flankeren, leunt een stoel met een fluwelen bekleding, eveneens in een oud roze teint. Tussen beide in staat een tafeltje. De muurpartij is met een houten wandbetimmering bekleed en vormt als lambrisering een harmonisch geheel met het authentiek meubilair.

Gustave Serrurier-Bovy

De Belgische architect en sierkunstenaar Gustave-Nicolas-Joseph Serrurier, geboren te Luik op 27 juli 1858, studeerde van ca 1873 tot 1877 architectuur aan de Academie voor Schone Kunsten in Luik. Als zoon van een schrijnwerkersfamilie had hij reeds vanaf zijn jeugd liefde gekoesterd voor sierkunst en houtbewerking. Op 27 mei 1884 huwt hij met Marie Bovy (°11 augustus 1851) en krijgen ze een dochtertje Madeleine. Na kennismaking met de Arts and Crafts-beweging alsook met het werk van William Morris, in Engeland bekend als sierkunstenaar, maar die ook als schilder, designer, dichter en politicus vermaardheid verwierf, reisde Serrurier in 1884 naar Londen. Met ruime belangstelling volgde hij in de verschillende kunsthandwerkscholen de lessen voor alle takken van de nijverheid. In datzelfde jaar opende hij te Luik in de rue de l'Université 38 een zaak voor meubel- en woningdecoratie. Zijn enthousiasme voor het oeuvre van W. Morris, een onvergetelijk souvenir van zijn verblijf in Engeland, verleende zijn werk dan ook een duidelijke herkenbare Engelse 'touch'. Weliswaar distantieerde hij zich van zijn Engelse idolen in de opvatting over de constructie van meubelen. In 1893 namen de eerste contacten plaats met Henri Van de Velde. Er volgden weldra nieuwe filialen van magazijnen of ateliers in Brussel en Parijs. In 1894 richtte Serrurier-Bovy mede het Brusselse Salon de la Libre Esthétique op en verschijnt zijn eerste catalogus. In 1895 organiseert hij in Luik L'Oeuvre Artistique, een internationale tentoonstelling voor toegepaste kunst: één van de vele tentoonstellingen waar hij later zal aan deelnemen. Bovendien was hij nadrukkelijk aanwezig met zijn werk op het Parijse Salon du Champ de Mars tussen 1896 en 1903. Voor het laatst toonde hij zijn ontwerpen op de internationale kunstnijverheidstentoonstelling in Brussel in 1910. In datzelfde jaar 1910 stierf Gustave Serrurier op 19 november om 5.30 u in de morgen, na een doodstrijd van drie dagen. Hij werd begraven op het kerkhof van Robertmont te Luik. Het grafmonument is van de hand van zijn bureauchef M. Burggraaf en werd opgebouwd in de typische stijl van Gustave Serrurier. Hij wordt terecht beschouwd als de voorloper van H. Van de Velde en van V. Horta op het gebied van de decoratie en geldt aldus als de pionier van de art nouveau in België .

Brussel bakermat van de art nouveau

Bij het begin van de 20ste eeuw was Brussel de hoofdstad en bakermat van de art nouveau, waar o.m. Paul Hankar samen met bovenvernoemde architecten deze nieuwe stijl introduceerden. ‘Rond de eeuwwisseling ontstond er een scherpe reactie op de classicistische, monumentale bouwstijlen van de voorbije eeuwen. De art nouveau als stijlvernieuwing speelde met verschillende materialen, bracht licht en lucht in de huizen en maakte van asymmetrie een onontkoombaar stijlelement’ . In 1898 bouwt V. Horta zijn eigen huis en richt in 1903 Gustave Strauven te Brussel het huis Saint-Cyr op. In 1904 vertrekt Henri Van de Velde naar Duitsland om in Weimar als voorman van de art nouveau tot in 1914 de directie waar te nemen van de Kunstschule en Kunstgewerbeschule, die de basis vormde van het Bauhaus.
Gustave Serrurier als ontwerper van het composietmeubel

In 1905 toont Serrurier-Bovy op een expositie te Luik zijn nieuwe creatie, nl. het demonteerbaar meubel. Dit ‘mobilier Silex’ van berkenhouten meubelen werd een vroeg voorbeeld van inklapbaar meubilair. Als (meubel)ontwerper ontwikkelde hij een eigen werkwijze, maar bleef toch sterk beïnvloed door de nuchtere en toch bezielde Engelse elegantie. 'Het kastmeubel werd vervangen door het composietmeubel. De grote gestileerde ornamentfiguren van zijn Engelse voorbeelden plaatst hij in een nieuwe context door bijvoorbeeld zijn stoelen uit de kastvorm te verlossen en in aparte staven weer aaneen te voegen. Hetzelfde principe past hij ook toe in zijn interieur ontwerpen. Het blokkendoos systeem dat hij in zijn werk gebruikte, de kubistische rechtlijnigheid, herinnert aan de Wiener Werkstätte en aan Adolf Loos. Bovendien had hij een voorkeur voor ijzerconstructies. Henri Van de Velde zou later van hem het composiete karakter van de meubelen overnemen en dit beroemd maken als de ‘Van de Velde-lijn’ . Als besluit kunnen we stellen dat Gustave Serrurier-Bovy al met al als kunstenaar lange tijd ondergewaardeerd werd. Ornamenten werden bescheiden toegepast. Zijn gevoel voor geometrische ordening hebben nooit tot een eenvormig kader geleid: de vormgeving van het object werd bepaald door zijn functie. Het kasteel-interieur van Hooleyck kan dit enkel maar bevestigen en blijft aldus een geruisloos toonbeeld van zijn oeuvre te Landen.

Bewoners van het kasteel

We kunnen twee perioden van bewoning aanduiden: vooreerst door de familie Kempeneers (1884-1910) en later door de familie Cartuyvels (1910 tot nu).

Jean François Stevens (°12/9/1811), geneesheer en burgemeester van Rumsdorp had twee dochters: Anne-Marie Eléonore Stevens (°18/11/1855), die op 17 mei 1881 met Joseph Pitsaer huwde (°30/5/1853) en Marie Caroline Celestine Stevens (°18/5/1864), bijgenaamd Zelie. Deze laatste erfde de gronden in Landen bij akte van 13 mei 1886. Zelie Stevens was in 1885 getrouwd met Fernand Isidore Kempeneers, die in 1884 tot vrederechter in Landen was aangesteld. Het was hij die op de grond van zijn vrouw in 1886 begon met de bouw van het kasteel. Isidore Kempeneers kreeg twee kinderen: Marie Zelie Kempeneers (°Landen 3/6/1887) en Fernande Marie Kempeneers. Zelie Stevens overleed op 4 maart 1890. De vrederechter hertrouwde dan op 26 mei 1894 met Anne Marie Helaers (°14/10/1868). Uit dit huwelijk werd Paul Kempeneers (°20/5/1895) geboren. Drie jaar later stierf de vrederechter op 6 juni 1898.

Marie Kempeneers, de oudste dochter van de vrederechter, huwde op 2 augustus 1910 met Philippe Marie Louis Florent Cartuyvels (°22/1/1888 Braives) en erfde het domein Hooleyck. Het koppel kreeg twee zonen en drie dochters. Van 1915 tot 1919 verbleef het hele gezin te Londen waar Philippe Cartuyvels werkte als scheikundige. Van 30 juni tot 11 november 1918 verbleef priester R.G.van den Haute, stichter van het ‘Katholiek Tijdschrift der Ideeën en Feiten’ en redacteur van ‘La Libre Belgique Clandestine’: de nu ingekaderde altaarsteen waarop hij de mis las is nog te bezichtigen aan de wand in de eetkamer. In 1940 was het kasteel bezet door Duitse troepen. Bij de bevrijding logeerden Engelse en Ierse troepen in en rond het kasteel. Ook Russische krijgsgevangenen werden in het park ondergebracht. Philippe Cartuyvels stierf op 23 juni 1969. De oudste dochter van het gezin Fernande Cartuyvels (°13/01/1913 - +20/10/1971) slaagde als een van de eerste vrouwen in België in het diplomatiek examen. Zij fungeerde eerst als diplomaat in Washington (1949-1953) en in Oslo (1953-1958) en dan als ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken (1958-1969). De oudste zoon van het gezin Philippe-Marie (°1911 - +1997) erfde het kasteel in 1976. Hij was gehuwd met barones Yvonne van der Straten Waillet (°13/9/1922 - +19/10/2002). Zij kregen drie zonen: Alphonse-Philippe (°7/7/1962), Charles (°22/10/1963) en Pierre (°20/12/1965). Philippe-Marie Cartuyvels was doctor in de rechten en baccalaureus in de wijsbegeerte en was gedurende vijftien jaar de Belgische secretaris-generaal van de Benelux Economische Unie. Hij onderhield met veel zorg het domein Hooleyck, zorgde voor nieuwe beplantingen in het park en moderniseerde het interieur van het kasteel. Het kasteel wordt nu sedert augustus 2003 bewoond door de oudste zoon van de familie nl. Alphonse-Philippe Cartuyvels samen met zijn echtgenote Hélène de Brouwer (°26/5/1965) en hun drie kinderen Marie (°3/3/1995), Alexander (°2/2/1997) en Bernard (°2/11/1999). (Tekst: Roger Delmeire)